1. Aanleiding Riolering is een van de belangrijkste maatschappelijke basisvoorzieningen in de zorg voor de volksgezondheid en een goed en duurzaam leefmilieu. De afgelopen jaren is de vervangingsachterstand van de riolering ingelopen en is aanzienlijk geïnvesteerd in het verbeteren van het functioneren. Iedereen is op de riolering aangesloten en al het ingezamelde afvalwater wordt gereinigd. De riolering is voor de afvalwatercomponent zo goed als klaar.
Echter rondom de doelmatigheid van het gevoerde beleid en bij de investeringen in het systeem kunnen grote vraagstekens worden gezet. NLingenieurs is van mening dat het beheer van de riolering doelmatiger kan en de regie bij het beheer daar moet worden gelegd waar de meeste doelmatigheidswinst is te behalen: lokaal maatwerk in de afstemming met het beheer van de openbare ruimte.
De huidige discussie tussen de verschillende overheden over de doelmatigheid in de waterketen, is voor NLingenieurs aanleiding in deze notitie haar standpunt te presenteren.
NLingenieurs levert in deze notitie vanuit haar inhoudelijke expertise en maatschappelijke betrokkenheid een bijdrage in de discussie en geeft een bouwsteen bij het vaststellen van het toekomstige rioleringsbeleid.
Na een terugblik op de historie van rioleringsbeleid vanaf het in werking treden van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in 1970 tot heden (zie bijlage 1), trekken we lessen uit het verleden en blikken we vanuit de huidige situatie vooruit naar de toekomst en naar de positie die NLingenieurs hierbij wil innemen.
2. Historie: 40 jaar rioleringsbeleid Zonder volledig te willen zijn, geven we een overzicht van 40 jaar rioleringsbeleid.
De Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (1970) Na de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog was men vooral bezig met economische herstel en niet zozeer met het milieu. De vervuiling van het oppervlaktewater was zeer groot. Deze vervuiling bereikte een dieptepunt in de jaren zestig en Nederland gold als de afvoerput van West Europa met de Rijn als open riool.
De Wet verontreiniging oppervlaktewateren (1970) had tot doel aan de grootschalige vervuiling van oppervlaktewater binnen Nederland een einde te maken.
De Wet leidde in de periode 1970 tot 1985 vooral tot het opheffen van ongezuiverde lozingen, vergroting van de zuiveringscapaciteit van afvalwaterzuiveringsinstallaties, centralisatie van afvalwaterzuivering en de aanleg van riolering voor bestaande bebouwing. De vele woningbouwprojecten leidden ook tot een forse toename van de behoefte aan riolering en zuiveringscapaciteit.
Taakverdeling riolering en afvalwaterzuivering De afvalwaterzuiveringen kwamen in beheer bij intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (zuiveringsschappen) en vervolgens bij Waterschappen. Riolering werd aangelegd en beheerd door gemeenten, met ondersteuning van het toenmalige Rijksinstituut voor de Zuivering van Afvalwater (RIZA als onderdeel van het ministerie van Verkeer en Waterstaat). Het ontwerp van de voorzieningen lag (een enkele uitzondering daargelaten) vanwege de noodzakelijke expertise bij de ingenieursbureaus, met vooral op het gebied van afvalwaterzuivering een aanzienlijk innovatief vermogen.
In deze periode ontwikkelde zich een duidelijk milieubewustzijn.
Focus op rioleringsbeheer Vanuit de zorg voor het milieu (Wet milieubeheer, Nationaal Milieubeleidsplan) kwam het besef dat een goede openbare ruimte afhankelijk is van goed functionerende en onderhouden riolering. Bij het rioleringsbeleid kwam de nadruk bij de gemeentelijke zorgplicht en systematisch beheer. In de Wet kwam de verplichting tot het opstellen van gemeentelijke rioleringsplannen. Het accent van het Rijksbeleid ging van Verkeer en Waterstaat naar VROM. Vanuit Rijksbeleid werden gemeenten gefaciliteerd bij het beheer: het Rijk stimuleerde normering, Stichting Rioned als landelijk rioleringsplatform werd opgericht, er kwam een Leidraad Riolering. De ca. 2-4 % calamiteuze riolering werd gerenoveerd en de vervangingsachterstand werd ingelopen. De normstelling voor overstortingen in waterbeheerplannen werd aangescherpt.
De trend van centralisatie van afvalwaterzuivering zette zich door.
Onderzoek De ingenieursbureaus werden door het uitvoeren van studies in opdracht van de ministeries van VROM en V&W betrokken bij de beleidsvoorbereiding. Door de Nationale Werkgroep Riolering en Waterkwaliteit (NWRW) werd voor de eerste maal in de historie systematisch onderzoek uitgevoerd naar de werking van de riolering en de impact daarvan op het milieu.
Na het NWRW-onderzoek (1982 tot 1989) heeft onderzoek versnipperd plaatsgevonden. De onderzoeksinspanningen waren marginaal vergeleken met de omvang van de investeringen in de riolering en de kosten van exploitatie.
Beleid Vanaf begin jaren negentig ontstond opnieuw aandacht voor de relatie tussen riolering en oppervlaktewaterkwaliteit. Implementatie van Europese Richtlijnen leidden tot wijziging in het wettelijke kader. Anticipatie op klimaatverandering, de noodzaak voor een integrale aanpak van het waterbeheer en de positie van water in de ruimtelijke ordening hadden een aantal bestuursakkoorden tussen overheden tot gevolg. Het ministerie van V&W had hierin het voortouw. De invloed van de waterschappen op gemeentelijk rioleringsbeleid nam hierdoor sterk toe. Rioleringszorg verbreedde zich tot stedelijk waterbeheer.
Een beleidscentrum op Rijksniveau vervaagde steeds meer. De beleidsontwikkeling en -uitvoering werd onlogisch versnipperd in verschillende wetgeving en over verschillende overheden. Bij de uitvoering van beleid domineerden middelvoorschriften in plaats van dat het resultaat centraal staat. De keuze van maatregelen is veelal niet gefundeerd op gedegen onderzoek. Doordat beleid te weinig meetbaar is gemaakt is toetsing van de effectiviteit en de doelmatigheid niet mogelijk. Normdenken overheerst, er is teveel voorbij gegaan aan lokaal maatwerk en de organisatieculturen van de verantwoordelijke overheden niet zijn gericht op samenwerken.
Dit frustreert in ernstige mate de realisatie van de opgave van een geïntegreerde en doelmatige aanpak van het stedelijk waterbeheer, waarvan het afvalwatersysteem deel uit maakt.
Riolering buitengebied In het buitengebied werd voor ettelijke miljarden riolering aangelegd voor verspreide bebouwing. Een goede onderbouwing hiervoor was vaak niet aanwezig en het beleid verschilde per provincie.
Basisinspanning De resultaten van het NWRW onderzoek leidden niet tot een op verder onderzoek gebaseerde verbetering en optimalisatie van de rioolstelsels (maatwerk). In plaats daarvan werd een generieke norm de Basisinspanning ingevoerd. Deze norm werd terwijl dat in het rijksbeleid nooit de bedoeling was te vaak rigide gehanteerd in de discussie tussen gemeenten en waterschappen. In totaal leidde de Basisinspanning tot een investeringvolume van ca. € 6 miljard.
Te vaak stond hier geen helder beeld van te bereiken doelen laat staan toetsing daarvan tegenover. De keuze van maatregelen werd vooral gebaseerd op modelberekeningen en toepassing van ‘standaard’ maatregelen, zonder de link te leggen met de situatie ‘in het veld’. Een genuanceerd beleidsvoornemen op rijksniveau werd dus veelal vertaald in discussies tussen gemeenten en waterschappen over regelgeving. Middelen (bergbezinkbassins, afkoppelen van verhard oppervlak) werden belangrijker dan doelen en de theorie (modelberekeningen) werd belangrijker dan de praktijk. Dit maakte handhaving en controle makkelijker, maar ging ten koste van de doelmatigheid.
De te hoge tijdsdruk was ook een belangrijke complicatie. De basisinspanning, gedefinieerd in 1991, moest voor 1 januari 1996 worden gerealiseerd. Bij de beleidsvaststelling was al bekend dat deze termijn niet haalbaar was en dat er in deze periode zeker geen tijd was om voor elke gemeente een adequate studie naar optimale maatregelen uit te voeren. Echter ook waar uitstel werd verleend tot 2000, 2005 of zelfs 2010 was dat geen garantie voor een afgewogen maatregelenpakket.
Lange levensduur riolering - Snelle beleidsveranderingen Riolering heeft, sterk afhankelijk van het gebruik van de openbare ruimte en de ondergrond, veelal een levensduur van 60 tot meer dan 100 jaar. De beleidsontwikkelingen volgen elkaar echter in een veel hoger tempo op (zie bijlage) en zijn soms zelfs tegengesteld aan elkaar. De locale vertaling naar middelvoorschriften had vaak een zeker “waan van de dag” karakter. (Denk bijvoorbeeld aan afkoppelen van verharde oppervlakken. Tot circa 1990 werd afstromend hemelwater als afvalwater beschouwd dat gezuiverd diende te worden. Medio jaren ’90 veranderde deze mening en was het een belangrijke doelstelling om zoveel mogelijk afstromend hemelwater te infiltreren in de bodem. Momenteel zijn er weer partijen die pleiten voor een beperking van deze praktijk wegens risico’s op bodemverontreiniging.) Deze snelle beleidswisselingen gaan ten koste van de doelmatigheid van investeringen in maatregelen met een lange levensduur en leiden tot weinig optimale systemen.
Inzicht in kenmerken en functioneren riolering De normstelling voor het terugdringen van overstortingen ontmoedigde het krijgen van inzicht in het functioneren van het rioolstelsel, de invloeden op de waterkwaliteit en het beschouwen van de samenhang tussen riolering en zuivering.
Bij verdergaande maatregelen t.a.v. waterkwaliteit en bestrijden van wateroverlast is veel meer inzicht nodig in het functioneren van de riolering en de noodzaak en effectiviteit van maatregelen. Daartoe is monitoring nodig en een goede en actuele verwerking en gebruik van gegevens.
Gebrek aan professionals
Het vakgebied breidt zich de laatste jaren uit naar het stedelijk waterbeheer. Deze ontwikkeling vindt plaats in combinatie met de afname van het aantal professionals, waardoor de aandacht voor het vak verarmt en de beschikbare expertise versnipperd wordt ingezet. Het gebrek aan beschikbaarheid van expertise op het vakgebied wordt alleen maar groter als gevolg van uitstroom door pensionering en onvoldoende instroom van gekwalificeerde medewerkers. Intussen neemt de vraag om expertise juist toe doordat er extra watergerelateerde taken bij de gemeenten zijn neergelegd. Omdat beheer van riolering lokaal maatwerk en lokale kennis vraagt zal de behoefte aan riolerings¬professionals groot blijven. Het gebrek aan expertise - kwalitatief en kwantitatief - en het daardoor niet kunnen leveren van maatwerk gaat ten koste van kwaliteit en leidt tot onnodig hoge kosten omdat niet de juiste keuzes kunnen worden gemaakt. Het personeelstekort is dus een belangrijke factor bij de tekort schietende doelmatigheid.
3. Lessen uit 40 jaar rioleringsbeleid Uit de ervaringen van de afgelopen 40 jaar, van het tot stand komen van de Wet Verontreinging Oppervlaktewateren tot aan de dag van vandaag trekt NLingenieurs de volgende lessen:
1. Tot op de dag van vandaag is er geen helder beeld is van de feitelijke milieuwinst van het gevoerde beleid rondom
ongezuiverde lozingen in het buitengebied.
2. De
basisinspanning leidde tot niet of nauwelijks adequaat onderbouwde investeringen en verre van optimaal ontworpen afvalwatersystemen.
3. Voor kostenbesparing en kwaliteitsverbetering is het nodig dat investering en beheerbeslissingen beter worden onderbouwd. Extra inspanningen op het gebied van
monitoring, onderzoek en goede en actuele gegevens worden ruimschoots terugverdiend. Deze inspanningen dienen in relatie te staan tot de geplande investeringen en de kosten van de exploitatie (asset-management);
4. De gemeentelijke organisaties in Nederland zien zich geconfronteerd met een toename van verantwoordelijkheden en taken op het gebeid van stedelijk waterbeheer terwijl de beschikbare
expertise, zowel kwantitatief als kwalitatief terugloopt.
5. Er dient sprake te zijn van één
coherent beleid op Rijksniveau waar de beleidskaders voor stedelijk water (zorgplichten gemeenten) worden vastgesteld. Het beleid dient kaderstellend te zijn in de richting van resultaten in plaats van op maatregelen gericht en moet consistentie uitstralen voor de lange termijn;
6. De
ingenieursbureaus moeten hun expertise in een onafhankelijke rol bij de beleidsontwikkeling meer en consistenter inzetten en moeten meer invloed uitoefenen bij de opzet en uitvoering van onderzoeksprogramma’s op het thema stedelijk water.
4. Huidige situatie Riolering in Nederland is ‘klaar’ De riolering is, afgezien van het meer effectief omgaan met hemelwater en grondwater, klaar. Vervangingsachterstanden zijn de afgelopen jaren goeddeels weggewerkt. Het afvalwatersysteem voldoet aan de milieueisen. “We zitten wat betreft riolering en afvalwaterzuivering op één van de hoogste voorzieningenniveaus in de wereld: bijna iedereen is aangesloten op de riolering en alle ingezamelde afvalwater wordt gezuiverd” zei minister Cramer op de RIONEDdag 2008. De doelstelling voor de volksgezondheid is voor het afvalwatersysteem immers bereikt. Er ligt inmiddels voor een gigantisch kapitaal in de grond. Bij aanpassingen aan de bestaande systemen moet er voor worden gewaakt dat kapitaalvernietiging plaatsvindt, de robuustheid afneemt en de beheerrisico’s stijgen als gevolg van een toenemende complexiteit van het systeem. Meebewegen met ‘hypes’ kan zo ten koste gaan van de doelmatigheid.
Vergroten van de doelmatigheid Doelmatig omgaan met de riolering vereist het stellen van heldere doelen en het zo efficiënt mogelijk realiseren daarvan.
Een onderzoek naar “Verkenning doelmatigheid uitvoering rioleringsbeleid” van Witteveen & Bos in opdracht van het ministerie van Financiën in 2000 heeft aangegeven dat toen reeds door de gemeenten een grote mate van afstemming tussen wegbeheer en rioleringsbeheer is bereikt. Met name deze afstemming is van groot belang voor de doelmatige besteding van overheidsgeld. Naar de waarneming van NLingenieurs hebben de gemeenten op dit vlak de afgelopen 10 jaar een verdere vooruitgang geboekt.
Uit dit onderzoek blijkt voorts dat:
- in het dagelijkse beheer van de riolering geen ondoelmatigheden zijn geconstateerd die op korte termijn kunnen leiden tot grote kostenbesparingen;
- de meeste kosten bij doelmatig beheer van riolering liggen bij de (toekomstige) vervangingsopgave;
- de kosten van deze vervangingsopgave sterk afhankelijk zijn van de financieringswijze, de organisatie van het beheer en de kapitaallasten uit het verleden;
- deze vervanging volledig verweven is met het beheer en de inrichting van de openbare ruimte;
- de meeste doelmatigheidswinst is te behalen in een effectieve afstemming tussen riolering en wegbeheer;
- schaalgrootte van de uitvoeringsorganisatie een negatieve invloed kan hebben op de doelmatigheid van de afstemming.
Grote verschillen in kosteneffectiviteit van maatregelen Er zijn grote verschillende in kosteneffectiviteit van maatregelen. Dit hangt af van de situatie en van het doel. Afkoppelen van verhard oppervlak bijvoorbeeld is meestal relatief duur als het doel alleen emissiereductie is, maar als het ook andere belangrijke doelen dient of door af te koppelen een extra persleiding uitgespaard kan worden kan het toch aantrekkelijk zijn. Als de vuilemissie op jaarbasis in een gebied moet worden gereduceerd zijn maatregelen op de afvalwaterzuivering meestal het meest effectief. Voor de reductie van een pieklozing vanuit de riolering kan een bergbezinkbassin juist weer aantrekkelijk zijn.
In de praktijk worden doelen en maatregelen te vaak niet goed tegen elkaar afgewogen. Zo wordt afkoppelen van verhard oppervlak bijvoorbeeld gepropageerd omdat het duurzaam zou zijn, zonder dat dat voor de specifieke situatie wordt getoetst. Als het doel vooral emissiereductie is kunnen de kosten weleens 5 tot 10 keer zo hoog uitpakken als voor een alternatieve maatregel!
Schaalgrootte rioleringsbeheer
Uit cijfermateriaal van Stichting Rioned blijkt dat (gerekend per m buislengte) gemeenten met een omvang van 20.000 tot 250.000 inwoners de laagste kosten hebben, bij kleinere gemeenten de kosten gering hoger zijn, maar veruit de hoogste kosten bestaan bij gemeenten met meer dan 250.000 inwoners. Beheer van riolering is in alle gevallen lokaal maatwerk, waarbij schaalgrootte waarop het beheer wordt georganiseerd niet maatgevend hoeft te zijn voor de doelmatigheid. Bovendien geldt dat naarmate de afstand tussen beleid en uitvoering wordt vergroot, de kosten door de noodzaak van informatieoverdracht, redundantie, extra coördinatie en inzet van beheersings- en controlestructuren toenemen.
Afstemmen en samenwerken zijn noodzakelijk
De zorgplicht voor de inzameling en het transport van afvalwater, regenwater en overtollig grondwater ligt op grond van de huidige wetgeving bij de gemeenten. De zorg voor de zuivering van het afvalwater ligt bij de waterschappen. Afstemming van de daaruit voortkomende taken vindt de laatste jaren plaats in Optimalisatiestudies (OAS-sen). De noodzaak hiervoor is bij Koninklijk Besluit ruim 20 jaar geleden al vastgesteld. In haar brief aan de tweede kamer d.d. 15 januari 2010 stelt minister Cramer dat de uitgevoerde optimalisatiestudie in de afvalwaterketen hun vruchten afwerpen. NLingenieurs onderschrijft de noodzaak tot het uitvoeren van dergelijke studies. De door partijen gestelde (beperkende) randvoorwaarden en de vaak matige kwaliteit van de onderliggende gegevens gaan echter veelal ten kosten van de te bereiken doelmatigheidswinst. In veel gevallen is het uitgangspunt het opvullen van de normstelling tegen de laagste (korte termijn) kosten. Hierbij wordt de lange termijn doelmatigheid uit het oog verloren.
In de doelmatigheid van een OAS kan vaak veel gewonnen worden als de betrokken partijen gezamenlijk heldere - op praktijkproblemen gebaseerde - doelen formuleren en bereid zijn al hun geplande maatregelen ter discussie te stellen.
Overal in het land ontstaan binnen het afvalwatersysteem initiatieven tot samenwerken (zie onder meer de evaluatienota “Bestuursakkoord Waterketen” d.d. december 2009). Deze samenwerkingsverbanden blijken het meest succesvol indien van onderaf opgezet met een duidelijke doelstelling gericht op concrete operationele resultaten en het loslaten van vooraf ingenomen standpunten in een cultuur van vertrouwen. Resultaten hebben betrekking op benutten van elkaars expertise en capaciteit. De wijze van organiseren vergt flexibiliteit en maatwerk en vooral kennis van de inhoud.
5. Toekomst Uitgangspunt voor het Rijk (min. Cramer, 2008) is “dat de gemeente als regisseur er voor zorgt dat de burger een eenduidig afgestemd verhaal krijgt over omgaan met water in zijn specifieke omgeving. En dat geldt ook voor de partners in de waterketen”. Vragen hierbij zijn: waarom worden de lasten hoger? Wat wordt gedaan aan doelmatigheidvergroting?
Het afvalwatersysteem moet daarbij worden beheerd “als ware het één systeem”. Over deze samenwerking moeten overheden op grond van de vanaf eind december 2009 van kracht zijnde Waterwet afspraken maken.
De opgaven voor de toekomst zijn:
1. Instandhouding van de riolering als middel voor de volksgezondheid en een goed leefmilieu. De riolering is klaar voor zover dit het afvalwater betreft en moet adequaat in stand worden gehouden. Instandhouding betekent daarom in de eerste plaats het op tijd vervangen van verouderde riolen. De meeste riolen zijn aangelegd in de periode 1946 – 1970 en moeten in de komende decennia geleidelijk worden vervangen;
2. Instroom van voldoende en goed geschoolde technische medewerkers. Een groot aantal rioleringswerkers gaat binnenkort met pensioen. Op alle opleidingsniveaus is behoefte aan nieuwe medewerkers;
3. Meer doen met minder geld. Alleen uitvoeren van maatregelen waarvan op basis van onderzoek is aangetoond dat deze efficiënt bijdragen aan het bereiken van de doelen voor de riolering. Voor lokaal maatwerk zijn monitoring en goede en actuele gegevens onontbeerlijk. Daarnaast is generiek (technisch-inhoudelijk) onderzoek nodig om de effectiviteit van investeringen en beheerinspanningen verder te kunnen vergroten.
De rioolheffing zal blijven stijgen omdat de aanleg van riolen vaak betaald is uit de grondopbrengst en de vervanging bekostigd moet worden uit de rioolheffing. De stijging van de lokale lasten moet echter zo beperkt mogelijk blijven. Onderzoek is nodig naar maximeren van afschrijvings¬termijnen om te bezuinigen op de kapitaalkosten. Op korte termijn iets duurder; op langere termijn forse besparingen.
Indien nieuw beleid moet worden gemaakt, wordt er met klem op aangedrongen in een vroegtijdig stadium expertise in te zetten om na te gaan of met het voorgenomen beleid de nagestreefde doelen (efficiënter) worden bereikt. Ook is het wenselijk dat er bij beleidskeuzes nadrukkelijk rekening wordt gehouden met enerzijds het langcyclische karakter van de ondergrondse infrastructuur en anderzijds de lange voorbereidingstijden die nodig zijn om te komen van definitie/ontwerp van te nemen (technische) maatregelen tot en met de daadwerkelijke realisatie.
Ook zou het nuttig zijn om reeds in het beleidsvoornemen aan te geven op welke wijze de effectivi¬teit van het beleid wordt gevolgd en welke doelen worden nagestreefd.
Gelet op deze opgaven is de inzet van NLingenieurs gericht op:
Ad. 1.: Instandhouding van de riolering:
- Beter inzicht verkrijgen in de effectiviteit en noodzaak van maatregelen. (Bijvoorbeeld: een gemengd rioolstelsel alleen ombouwen naar een stelsel waar afvalwater en regenwater gescheiden blijft indien de meerwaarde uit oogpunt van wateroverlast of milieu aantoonbaar is);
- Het borgen van de relatie tussen de riolering en de inrichting en het beheer van de openbare ruimte met het oog op de grootst mogelijke doelmatigheid. De grootste doelmatigheidswinst valt immers te bereiken in de afstemming tussen boven en ondergrondse infrastructuur.
Ad. 2.: Instroom van voldoende en goed geschoolde technische medewerkers:
- Meewerken aan intensivering van campagnes (zoals Kies techniek) specifiek gericht op leerlingen in het middelbaar onderwijs;
- Het bieden van stageplaatsen en actief deelnemen in onderwijsprogramma’s.
Ad. 3.: Doelmatiger werken:
- Heldere doelen stellen voor de riolering binnen de context van stedelijk waterbeheer en op gedegen onderzoek gebaseerde beleidsevaluatie;
- Het bevorderen van samenwerking tussen partijen zodat maatschappelijk gezien optimale oplossingen voor een goed functionerend afvalwatersysteem worden gekozen. Deze samenwerking dient vanuit de basis het primaire proces te worden opgezet waarbij niet de structuur maar het resultaat als uitgangspunt dient. Het te kiezen institutionele verband is daarbij maatwerk;
- Bijdragen aan onderzoek dat nodig is om de effectiviteit van investeringen en beheer-inspanningen te kunnen vergroten;
- Leveren van maatwerk waar nodig.
NLingenieurs levert graag de expertise die voor onderbouwing van beleid en beleidsrealisatie noodzakelijk is en draagt daarmee graag bij aan een duurzame en doelmatige afvalwaterketen.
N.B.
Overzicht beleidsontwikkeling van 1970 tot heden (bloemlezing van beleidsstukken) 1970: de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren vastgesteld met als doel een einde te maken aan de grootschalige vervuiling en verontreiniging van het Nederlandse oppervlaktewater
1985: Koninklijk Besluit: nr. 73: optimalisatie afvalwatersysteem: grondslag voor OAS
1985: Onderhoud aan Infrastructuur: Onderzoek naar de toestand van o.a. riolering
1986: TK stuknr. 19826-1: Notitie Riolering: onderzoek wettelijke status rioleringszorg, planverplichting en gesloten bekostigingssysteem (notitie Nijpels)
1987: Onderhoud onderbouwd; o.a. riolering; argumenten ter ondersteuning politieke besluitvorming
1987: NEN: NPR 3220: Buitenriolering Beheer; 1e versie voor een systematische aanpak van beheer
1987: oprichting Stichting Rioned
1988: Opties voor Toekomstig Rioleringsbeheer; voorstel wettelijke regeling, scheiding van beheertaken en milieufunctie; definitie kernfuncties
1988: 4e Nota Waterhuishouding: riolering = maatwerk; ambitie voor afkoppelen; opheffen ongezuiverede lozingen; “water in de stad”
1989: TK stuknr. 19826-5: Beleidsstandpunt Rioleringsbeheer: wettelijk kader, adequaat beheer, bekostiging, GRP, Leidraad Riolering
1989: Oppervlaktewaterbeheer en rioleringsbeheer (Unie): samenhang en afstemming; vergroten invloed WS op gemeente
1989: Eindrapportage onderzoeksprogramma 1982 -1989 riolering en oppervlaktewater; Noodzaak tot nader onderzoek
1989: Aard en omvang rioleringsproblematiek in Nederland; Stichting Rioned, onderzoek naar kwaliteit en kwaliteitsbeoordeling riolering
1990: Van zorg naar realisatie (NVWB): systematische aanpak rioleringsbeheer
1990: TK stuknr. 19826-11: Beleidsstandpunt inzake toekomstig rioleringsbeheer
1990: aanstellen Jan Wiggers als rioleringsprofessor TU-Delft
1991: Gemeenten Ondergronds(VNG/SGBO) onderzoek naar gemeentelijk rioleringsbeleid: stand van zaken m.b.t. op peil brengen van riolering
1992: TK stuknr. 19826-18: Naar een in het milieubeheer functioneel inzamel en transportsysteem
1992: CUWVO: Basisinspanning
1993: inwerkingtreding Wmb: Zorgplicht afvalwaterinzameling en planverplichting GRP
1993: EU: Richtlijn Stedelijk Afvalwater
2000:TK stuknr. 19826-21: Notitie Rioleringsbeleid; min. Pronk; beleidsevaluatie periode 1990 – 2000; afstemming investeringen riolering met werk in openbare ruimte, vervangingskosten en hoogte rioolheffing; onzekerheid m.b.t. omvang riolering buitengebied
1993 – 2010: Leidraad Riolering; uitwerking beleid; technische richtlijnen. Invloed modules GRP, doelen functionele eisen en maatstaven, rekenmethode C 2100
1994: NEN: NPR 3220: Buitenriolering Beheer; 2e versie voor een systematische aanpak van beheer; doelen, functionele eisen en maatstaven
2000: aanstellen François Clemens als rioleringsprofessor TU-Delft
2000: Verkenning doelmatigheid uitvoering rioleringsbeleid, Witteveen & Bos in opdracht van min. Financiën
2001: CIW: Eenduidige Basisinspanning
2001: Watertoets als wettelijk instrument Wro
2002: TK stuknr. 19826-23: Notitie riolering: laatste aansluitingen buitengebied
2003: TK: Implementatiewetgeving KaderRichtlijn Water
2003: Nationaal Bestuursakkoord Water: watersysteem (kwantitatief) op orde
2003: TK: Rijksvisie Waterketen: taakverdeling, anders omgaan met regenwater, bekostiging, monitoring samenwerking partijen, afvalwaterakkoord
2004: TK: Interdepartementaal Beleidsonderzoek bekostiging regionaal waterbeheer: verbrede rioolheffing voor gemeentelijke watertaken
2004: TK: stand van zaken risicovolle overstorten: vrijwel gereed
2007: Nationaal Bestuursakkoord Waterketen: waterketen = samenwerking en innovatie
2007: TK: Wet gemeentelijke zorgtaken water: zorgplicht afvalwater, regenwater, grondwater
2009: Waterwet: watersysteem, regenwater en grondwaterzorgplicht
2009: Innovatieagenda VROM
2009: TK: Beleidsnota Evaluatie Bestuursakkoord Waterketen
De laatste 15 jaar is er voor meer dan 20 miljard euro geïnvesteerd in de riolering. Echter een deel van deze investeringen was onnodig, ondoelmatig en niet vanuit de aanpak van een concreet probleem onderbouwd. Er hebben snelle beleidwisselingen op het gebied van riolering plaatsgevonden en dat is funest voor een systeem met een levensduur van vaak meer dan 60 jaar.