Hoezo te weinig kennis? Te weinig ontwerpruimte!

16 december 2020

De Cobouw decembercolumn geschreven door Jacolien Eijer, directeur Koninklijke NLingenieurs 

 

Een tijdje geleden stond er in het FD een artikel over problemen met grote, infrastructurele projecten. De oorzaak daarvan zou liggen in het feit dat er sinds de millenniumwisseling vanwege bezuinigingen te veel mensen zijn vertrokken bij de opdrachtgever, Rijkswaterstaat in dit geval. Daardoor zou er daar te weinig technische kennis zijn en hebben procesmanagers, bedrijfseconomen en juristen de overhand.

Het is een herkenbaar, veelgehoord verhaal waar ik een beetje flauw van word. Het slaat het probleem namelijk plat en leidt daarom niet tot een oplossing. Volgens mij is er sinds 2000 wel meer veranderd dan alleen het aantal fte bij de Rijksoverheid. Een belangrijke verandering sinds die tijd is de opkomst van de integrale contracten, zeker bij grotere infrastructurele projecten.

Deze integrale contractvormen hebben ons veel gebracht, zowel positief als negatief. Daar zijn boekenkasten over volgeschreven. Ik zal hier niet alles herhalen, maar ik wil er één ding uitpikken omdat dat volgens mij in het kader van de in het FD beschreven problemen relevant is. Dat is de positie van het ontwerp in het integrale contract.

De keuzes die worden gemaakt tijdens de ontwerpfase zijn zeer bepalend voor de totale levensduurkosten en de kwaliteit van het bouwwerk. Tegelijk maken de kosten van de ontwerpfase maar een beperkt deel uit van de totale contractsom. Het ontwerpdeel wordt aanbesteed onder de condities die voor het hele werk gelden. Met veel aandacht voor het beperken van de risico’s, het vergroten van de voorspelbaarheid en het controleren van het proces. In één keer goed, is een mantra dat goed past bij deze houding. Die houding is zeer verstandig in de realisatiefase maar zeer onverstandig in de ontwerpfase.

Tijdens het ontwerpen moet je de ruimte nemen om te verkennen, te onderzoeken en stappen voor- en achteruit te zetten. De ontwerpfase is een grillig pad. Je ziet dat het in andere sectoren heel normaal is om voor de ontwerpfase deze condities te creëren. Het is goed dat ook in de bouw steeds vaker contractvormen zoals bouwteam- of 2-fasen contracten worden toegepast die hier rekening mee houden. Als dat succesvol wordt gedaan, dan kun je de beschikbare kennis optimaal benutten. Iedere partij doet daarin mee, de opdrachtgever, de bouwer en de ontwerpend ingenieur. Iedereen is nodig vanuit zijn eigen rol en met deskundigheid. Volgens mij zouden de meeste ‘missers’ uit het FD artikel bij zo’n aanpak onderdeel zijn geweest van het voorgenomen ontwerpproces en niet tot deze enorme contractuele, juridische problemen hebben geleid.

Jacolien Eijer- de Jong, directeur Koninklijke NLingenieurs