afbeelding voor post: Cobouw artikel: Carrière | ‘Ingenieurswerk gaat over zoveel meer dan harde techniek en bouwen’

Cobouw artikel: Carrière | ‘Ingenieurswerk gaat over zoveel meer dan harde techniek en bouwen’

20 oktober 2022
Een studie bouwkunde stond aanvankelijk niet op het vizier van Willemien Bosch omdat ze dacht dat het te technisch zou zijn. Achteraf bleek het juist een prima keuze. Hoewel ze zichzelf niet ziet als ‘hardcore techneut’ voelt ze zich als een vis in het water in de technische wereld. Sinds half augustus is ze directeur van brancheorganisatie Koninklijke NLingenieurs.
Carrière | ‘Ingenieurswerk gaat over zoveel meer dan harde techniek en bouwen’
Foto: Guido Benschop

Uw loopbaan is behoorlijk divers. Ziet u parallellen?

“Overal ging het om het vertalen van theorie en kennis naar een praktische uitwerking. Bij architectuur breng je een programma van eisen en verschillende disciplines tot een gebouw. Als projectmanager in de industrie, bijvoorbeeld voor een melkpoederfabriek, voor mij een heel andere tak van sport, is het proces leidend. Je maakt een gebouw, maar het gaat vooral om hoe logistiek is georganiseerd en hoe je het proces goed faciliteert. Normalisatie – bij NEN – gaat om het geloof in afspraken maken met partijen in een zelfde werkveld om samen verder te komen. Daar is de norm het resultaat.”

Hoe past het directeurschap van NLingenieurs daarin?

“Wat mij drijft is het geloof dat je samen verder vooruit kunt komen. Ik vind het fijn vind om met experts te werken, mensen met een bepaalde technische kennis. Samen kun je opgaven vertalen naar een praktische uitwerking die gestoeld is op expertise en kennis. Dat bracht me ook bij NLingenieurs. Ik geloof in de toegevoegde waarde die ingenieurs kunnen hebben bij die grote maatschappelijke vraagstukken waar we voor staan rond energietransitie, wonen, de renovatie en vervanging van kunstwerken. Daarbij zijn kennis en onderzoek aan de voorkant ontzettend belangrijk, maar ook hoe het uitpakt in de fysieke leefomgeving. Dat doen ingenieurs.”

Tegelijkertijd verzanden mooie plannen vaak in stroperige procedures. Kan een organisatie als NLingenieurs daar ook iets aan doen?

“Ik krijg veel signalen dat dat een frustratie is. We willen invloed uitoefenen op de manier waarop die procedures zijn ingericht. Het gaat erom dat je een vertaling weet te maken van jouw expertise naar wat dat op grote schaal betekent. Ik zie de rol van de branche om dat verhaal duidelijker te vertellen. Hoe overtuig je de politiek dat het anders moet?”

De één heeft natuurlijk betere ingangen in de politiek dan de ander.

“Ik spreek geregeld met directeuren van brancheorganisaties tijdens een tweewekelijks overleg. Ook daar zie ik verschil in omvang en lobbykracht. We hebben weleens als commentaar dat er in Den Haag allemaal zuilen zijn, met portefeuilles die per ministerie verdeeld zijn. Maar als je kijkt hoe we zelf georganiseerd zijn: voor elke branche hebben we een branchevereniging, terwijl de opgaven vragen om een brede samenwerking. Als NLingenieurs werken we veel samen met de leden en door participatie van actieve leden brengen we dingen in beweging. We trekken hierbij vaak op met organisaties als Bouwend Nederland, Neprom, Techniek Nederland, BNA, Aedes, de Waterbouwers, MKB Infra en Cumela.”

Op welke manier?

“We hebben met NLingenieurs, Bouwend Nederland, Techniek Nederland en met steun van het ministerie van I&W  bijvoorbeeld net een traject gestart, dat de Verbinders heet. Het idee is dat wanneer je in een multidisciplinair team aan grote opgaven werkt in de bouw de verbinding binnen dat team cruciaal is voor het welslagen van zo’n project. Dat betekent dat je even je eigen belang moet parkeren in het belang van de gemeenschappelijke opgave. Tijdens een aantal pilots die we gedaan hebben bleek dat verbinding in de teams leidt tot betere resultaten in de uitvoering van die projecten en dat je tot efficiëntere oplossingen komt. Het is natuurlijk goed om dit in het hele traject van ontwerp tot uitvoering te doen, maar wij pleiten er als ingenieursbranche voor om vooral in de beginfase goed de verbinding te zoeken.”

Werken ingenieursbureaus niet al op deze manier door alle disciplines die ze in huis hebben?

“Ik denk dat dit binnen ingenieursbureaus al heel goed gebeurt en ook tussen bureaus. Het is heel normaal om in veel opgaven met verschillende ingenieursbureaus samen te werken. Ik hoor sommige bureaus zelfs zeggen: ‘we zijn elkaars flexibele schil in deze tijd van krapte’. Maar het gaat hier niet om de samenwerking tussen ingenieursbureaus, maar om die in de bouwkolom tussen opdrachtgevers, bouwers, installateurs en de ingenieursbureaus.”

Welke speerpunten ziet u als nieuwe directeur nog meer behalve versterken van de verbinding?

“Zichtbaarder worden, zoals ik al noemde. We zijn nog wat bescheiden in wat we kunnen. We moeten veel meer laten zien en vertellen wat we kunnen als ingenieurs. In de eerste twee maanden heb ik heel veel verkenningsgesprekken gevoerd en me ingelezen om te kijken waar de focus voor de komende tijd zou moeten liggen. Die ligt wat mij betreft ook bij inclusie en diversiteit. We hebben een personeelstekort in de markt, terwijl aan de andere kant branchebreed nog steeds mensen zijn die zich niet op hun plek voelen.”

Betekent diversiteit ook meer mensen aantrekken met een niet-technische opleiding?

“Ik zie mezelf ook niet als hardcore techneut, maar ik voel me in die technische wereld als een vis in het water omdat ik het verschil kan maken. In de techniek is enorme behoefte aan mensen met soft skills die de vertaling kunnen maken naar strategie. Ingenieurswerk gaat over zoveel meer dan de harde techniek en bouwen; het gaat over de fysieke leefomgeving in de breedste zin van het woord, de stad waarin je leeft, maar ook mobiliteitsvraagstukken en biodiversiteit. Die breedte maakt dat ze bij uitstek geschikt zijn om te adviseren over grotere planologische ingrepen in de fysieke leefomgeving. Bij een project moet je niet alleen heel breed kijken naar een opgave, maar een visie hebben voor een langere termijn. We moeten nu keuzes aan de voorkant maken om te investeren, waarmee we toekomstbestendig zijn en die leiden tot meer welzijn in de toekomst.”

Dan kom je weer terug bij de politiek.

“Die hebben we dan ook heel hard nodig. We willen eerder aan tafel, voordat beleidsbeslissingen genomen zijn. We moeten integraal naar opgaven kijken.”

U hebt een paar jaar in Vietnam gewerkt, onder meer voor Royal HaskoningDHV. Wat heeft u daarvan geleerd?

“Het is een enorm vormende tijd geweest. Daar ondervind je aan den lijve wat klimaatverandering inhoudt. Ik reed op mijn brommertje door de delta, soms in een halve meter water. In Nederland is alles zo goed georganiseerd dat we er eigenlijk vanuit gaan dat we hier wel droge voeten houden en schoon drinkwater hebben. Je ziet nu met die disrupties dat die vanzelfsprekendheid er niet meer is. Dan kun je leren van de bevolking van zo’n Mekong Delta die gewend is zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun leefomgeving. Je ziet dat er snel en adaptief met de omgeving wordt omgegaan. Bijvoorbeeld door bij verzilting als gevolg van de stijgende zeespiegel van rijstbouw over te schakelen op garnalenteelt of door te besluiten om complete centra te verplaatsen.”

Moeten we in Nederland ook zulke rigoureuze ingrepen overwegen?

“In Nederland zijn we van oudsher gewend om tegen water te vechten. Met ‘Ruimte voor de Rivier’ hebben we later ingezien dat we ook ruimte moeten geven aan water. Deze tijd met alle disrupties is volgens mij ook een kans om grote stappen te maken. Als we terugkijken naar de watersnoodramp in de Zuiderzee rond de Eerste Wereldoorlog, zie je dat de urgentie kennelijk groot genoeg was om de Zuiderzee af te sluiten en in te polderen, waar al lang over gesproken was. Dat plan ging over water, maar heeft macro-economisch heel veel effect gehad: op handel, mobiliteit en sociale structuren. Zo’n ingreep is enorm, maar vergt blijkbaar een bepaalde noodzaak om in gang gezet te worden.”

CV

Een paar jaar na haar studie bouwkunde aan de TU Delft vertrok Willemien Bosch (Rotterdam, 1980) als beginnend architect samen met haar man aan het begin van de economische crisis naar Azië. Daar werkte ze een paar jaar in Vietnam bij een resortontwikkelaar en aansluitend bij Royal HaskoningDHV. Terug in Nederland ging ze aan de slag bij normalisatie-instituut NEN, waar ze onder meer leiding gaf aan een team dat werkt aan normalisatie voor de bouw. Sinds half augustus is ze directeur van Koninklijke NLingenieurs als opvolger van Jacolien Eijer.